Europa 1966 - 1973

Vanaf het prille begin is D66 uitgesproken voorstander geweest van Europese integratie. In haar programma voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1967 sprak de partij uit dat ‘een nieuw federaal Europa gebaseerd [dient] te zijn op dezelfde beginselen van democratie, vrijheidsrechten en openheid D’66 nastreeft voor de Nederlandse samenleving’. De bevoegdheden van de Europese Commissie en het Europees Parlement moesten worden uitgebreid. Ook diende het Europees Parlement rechtstreeks te worden verkozen.

De Democraten presenteerden hun standpunten over Europese integratie in een breder internationaal kader. De achterliggende gedachte was dat Nederland een bijdrage moest leveren aan intensievere internationale samenwerking en (daaraan gekoppeld) het verminderen van internationale spanningen in de wereld. Een stabieler Europa zou de spanningen tussen het communistische Oosten en het kapitalistische Westen automatisch verzachten.

Deze overtuiging bleef in de jaren zeventig het internationale gedachtegoed van D66 beheersen. In het programma voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1971 kreeg het internationale hoofdstuk dan ook weer expliciet de titel ‘Bevordering van de internationale samenwerking. Vermindering van de internationale spanning.’ Deze woorden doelden niet alleen op spanningen tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, maar ook op andere concrete problemen zoals de staatsgreep in Griekenland (1967), de oorlog in Vietnam en de situatie in Oost-Duitsland. Europese veiligheid was nog steeds een zaak van groot belang.

Tegenover de continue spanningen presenteerde D66 in haar Beleidsplan 1971-1975 het concept van de rechtvaardige internationale samenwerking, die de ‘huidige internationale anarchie van staten’ moest doorbreken. West-Europese landen konden het zich niet meer veroorloven om uitsluitend vanuit het nationale belang te denken. Alles op eigen houtje doen, zou leiden tot crises en conflicten. Beter kozen zij daarom voor economische, monetaire en politieke integratie. Bovendien sprak D66 zich uit voor een Europese groep binnen de NAVO. De Nederlandse krijgsmacht zou zich dan kunnen specialiseren in plaats van in te zetten op alle onderdelen.

In het verkiezingsprogramma van 1971 klonk – net als in 1967 – de boodschap door dat economische integratie weliswaar aan de wieg moest staan van politieke integratie, maar dat ‘Europa’ meer was dan alleen economie. De ‘verouderde nationale structuren’ van de Europese gemeenschappen moesten worden aangepast aan de ‘eisen die schaalvergroting in de internationale samenwerking met zich meebrengen’. Een Europees Parlement dat benoemd werd uit en door nationale parlementen, zoals tot dan toe gebruikelijk, paste niet bij die visie. Ook de vergaande macht van de Raad van Ministers ten opzichte van de Europese Commissie was D66 een doorn in het oog. 

De wens tot democratisering ging al snel in vervulling: in 1970 kreeg het Europees Parlement meer begrotingsbevoegdheden en op de topconferentie van 1974 in Parijs werd besloten dat er directe verkiezingen voor het Europees Parlement moesten komen. Het proces van Europese partijvorming kreeg hiermee een belangrijke impuls, al zou D66 nog lang zoekende blijven naar een passende Europese alliantie.

 

Maarten Engwirda als Europarlementariër in Straatsburg in 1971

Engwirda was van 1971 tot 1973 voor D66 lid van het toen nog niet rechtstreeks verkozen Europees Parlement.

 

Vergadering van het Europees Parlement in 1975.
Vergadering van het Europees Parlement in 1975.